Reportage – Motorfamilie de Vaan

Als je motorrijders van de oude stempel combineert met iconische Japanse spierbundels uit het verleden, ontstaat er iets heel moois. De kleding, de motoren maar vooral de bravoure voeren je in één streep terug naar de hoogtijdagen van Joe Bar. Tot de helmen afgaan en er drie grijze koppen tevoorschijn komen.
Pagina gaat door onder advertenties
Dit artikel is gratis beschikbaar voor MotoPlus abonnees
- Onbeperkt PremiumPlus leesplezier
- 15.000+ online artikelen
- 380+ digitale magazines
Al abonnee? Log in om dit artikel direct te lezen.

We ruiken het eerder dan we het zien. Als fotograaf Andrew na de fotografiesessie zijn auto weer richting de woning van Gert-Jan de Vaan stuurt, vult een lucht van verbrand rubber onze neusgaten. Om de hoek staat de ‘schuldige’, een door de Suzuki GSX-R1100 van Gert-Jan aan gort gereden achterband. De brede grijns van de Zeeuw is ondanks zijn integraalhelm en de dikke rookwolken goed te zien. Het zijn taferelen die de inwoners van Zuiddorpe in Zeeuws-Vlaanderen al een paar decennia gewend zijn. De familie De Vaan en de aangetrouwde tak zijn nogal motorgek om het bescheiden te zeggen. Tijd om Gert-Jan, Rudi en zwager Johan le Feber aan het woord te laten. Wie enkel hilarische anekdotes over scheurpartijen, uitremacties en kattenkwaad verwacht, heeft het mis. Altijd weer komt broer Egbert voorbij; de meest getalenteerde en onbevreesde van hen allemaal.
In 2010 kreeg hij op het circuit van Spa-Francorchamps met 200+ een hersenbloeding, waarna hij in de bandenstapels eindigde. Drie dagen later overleed hij, amper 44 jaar oud. De (schoon)broers hebben het er moeilijk mee, maar houden Egbert’s herinnering levend door continu verhalen over hem te vertellen. De Suzuki GSXRclub eert zijn overleden clublid eveneens door jaarlijks de Stokerrit te verrijden. Stoker was de geuzennaam van Egbert. De motorfiets waar Gert-Jan op rijdt is dan ook niet zomaar een model uit 1990, het is de motorfiets waarmee broer Egbert altijd onderweg was. Nadat hij een brok in zijn keel heeft weggeslikt vertelt Gert-Jan dat hij de motorfiets slechts te leen heeft: “Deze motor gaat terug naar Sibren, de zoon van Egbert. Sinds een paar jaar rij ik weer circuitdagen, maar nu met Sibren en hij heeft duidelijk het talent van zijn vader. Op zijn 1000 K4 houd ik hem op mijn K2 niet meer bij.”
Zelfs als de motorfiets van Egbert naar Sibren gaat, staat er toch nog een aandenken aan zijn jongste broer op Gert-Jan’s zolder. “Daar staat zijn originele K4-racer, die ik volledig heb gerestaureerd.” Het is duidelijk dat dikke Suzuki’s een magische status hebben in huize De Vaan. Al duurde het even voordat de potige viercilinder er zijn entree maakte. Het is het bekende verhaal van grote dromen maar kleine portemonnees. Het gezin telde vijf kinderen, een motorgekke vader en een chronisch ongeruste moeder die werkelijk al haar koters motorrijles zag nemen. Brommers kwamen er niet in bij de Vaantjes. “Dat was verstandig van jullie pa”, becommentarieert zwager Johan, die ook wel weet dat het puberbrein in combinatie met een snelle brommer niet altijd een succes is. Zelf reed hij wel brommer. “Mijn ouders gaven ons allemaal een Tomos 4TL. De mijne liep al snel 85 km/uur. Een half jaar voor mijn achttiende verjaardag begon ik met motorrijlessen. Toen ik ooit een werkplaatshandboek voor een GS750 nodig had, leende ik dat bij de familie De Vaan. Daar ontmoette ik de dochter des huizes en niet veel later hadden we verkering.” Bij de eerste motoren vliegen de anekdotes al over de tafel. Rudi kocht voor ƒ 1.250,- een Suzuki GT550. “Een iconisch ding, maar niet te sturen en veel te zwaar. Het ding had een gescheurde kroonplaat, remde niet en de banden waren ruk. Pas toen besefte ik dat motorrijden allemaal niet zo simpel was als ik dacht.”
Een Honda F1 (Rudi) en FII (Gert-Jan) bleken vooral studiemateriaal. Rudi: “We hebben die dingen heel wat open en dicht gegooid en geleerd hoe het niet moet.” Gert-Jan was zijn Honda met een abonnement op speedwobbles al snel beu. “Het was bovendien een vreselijke oliezuiper waardoor je amper op vakantie kon omdat de koppakkingen eruit knalden.” Broer Egbert maakte het als benjamin van de familie het bontst door een Honda CBX1000 zescilinder een goed idee te vinden als eerste motorfiets. Rudi: “Dat vond zelfs vader niet zo’n goed idee en dus moest Egbert hem terugbrengen.” Lachend vult Johan aan: “Maar niet voordat jullie vader hem als een kip zonder kop volgas had uitgeprobeerd.” Een GS750 uit 1976 is een logischer model als eerste motorfiets. Gert-Jan: “We hebben vader maar niet verteld dat die deels op kerosine liep en razendsnel was. De oude GS is nog steeds in de familie.
Egbert bouwde hem om tot caféracer met een getuned GSX750-blok en bij het jaarlijkse sprintevenement in Eeklo wint deze oude krachtpatser het nog makkelijk van 1.000cc machines uit de jaren ’80.” De rode draad bij de eerste motoren is zwabberen. Niet verwonderlijk, gezien de gehanteerde rijstijl van de mannen in combinatie met de vroege rubberen frames uit Japan. De Honda 900 in een Martin-frame van Rudi was een eyeopener voor Gert-Jan: “We gingen allemaal te traag omdat de techniek ons tegenwerkte. Wij zwabberden altijd maar een eind weg.” De familie ziet pas echt het licht als Rudi de GSX-R1100 van de dorpsbakker koopt. “Hij deed hem heel bewust weg, want hij was er bang van. Ik ging voor brood, maar kwam na een spontane proefrit terug met een brood en een motorfiets.” Egbert en Johan volgen nog datzelfde jaar, broer Gert-Jan koopt een paar jaar later zijn eerste 1100, een 93’er ‘waterkoker’. “Het was in één keer thuiskomen. Alles klopt; het vermogen, het sturen, de remmen, het onderhoud en het geluid. Het is heerlijk bruut geweld, het ding trilt en je krijgt overal last van, maar het was zoveel beter dan die veel te soepele Honda’s. Als je gas geeft op een 1100 gaat het altijd vooruit, ook in een verkeerde versnelling. En bij 180 voelt het alsof je 120 rijdt.”
De liefde voor de iconische zware sportfiets uit Hamamatsu is altijd gebleven. Zelfs nu de heren al even geleden Abraham hebben gezien en wat strammer door het leven gaan. “Door de vreemde positie van de voetsteunen doet alles na twee uur zeer”, weet Rudi uit ervaring. “Dat moet je voor lief nemen. We monteren geen stuur boven de kroonplaat, we willen racers.” Omdat heel wat sportieve motorrijders de 1100 eveneens als racer zagen was er in de begintijd geen gebrek aan onderdelen, vertelt Gert-Jan. “Op het Circuit van Zolder mocht iedereen in de pauze een uurtje de baan op. Choppers naast raketten, die Belgen gingen met de regelmaat van de klok met hun 1100’s van de baan af.” In de loop der jaren is er een duidelijke favoriet boven komen drijven. De waterkokers (de W-modellen) leggen het af tegen de eerdere olie/luchtgekoelde oliekokers. De 1.000cc opvolgers zijn zelfs voor deze snelle mannen op de openbare weg te veel van het goede. Bovendien missen ze de beleving van het geluid en het gevecht met de machine om de bocht door te komen. Door die voorkeur staan er vandaag drie youngtimers voor de lens van de camera. De middelste is de 91’er van Johan, Rudi heeft een 92’er en alsof het zo moest zijn heeft Gert- Jan een 90’er. Al is die laatste dus te leen. Al zijn ze ondertussen 35 jaar oud, het Japanse trio is om door een ringetje te halen. Terwijl ze zeker niet alleen binnen staan.
De eigenaren schromen er niet voor om ’s ochtends op te stappen en pas ’s avonds om tien uur weer terug te komen. Al merken ze net als iedere sportieve motorrijder dat tijden veranderen. Door de overdaad aan verkeersdrempels, flitskasten en hoge boetes wijken ze met regelmaat uit naar het buitenland, maar ook daar zien ze steeds meer controles en die laten zich slecht voegen met dit slag motorfietsen en de instelling van de mannen in het zadel. Het zijn niet alleen de torenhoge boetes die het circuit zo’n lekker alternatief maken. Gert- Jan: “Als je in een bocht naar een vangrail kijkt en beseft wat er kan gebeuren als je daar in belandt, kies je als vanzelf voor het circuit. Ik rij pas weer sinds een paar jaar op het circuit, na het voorval dacht ik mijn helm eerst definitief aan de wilgen te hangen. Jarenlang wilde ik niet op Spa-Francorchamps rijden en het komt puur door Sibren dat ik daar nu weer rij. Het blijft iedere keer lastig, je ziet alle beelden weer voor je. Eenmaal uit de pitstraat denk je daar gelukkig niet meer aan en het is gewoon een van de mooiste circuits die er zijn. De combinatie Eau Rouge en Raidillon alleen al…”
In het kielzog van zijn zoons en schoonzoon reed vader De Vaan tot zijn 81e op uiteindelijk een Honda Shadow 1400. Het hield hem jong, net zoals zijn kroost nu. Na talrijke anekdotes over politiefuiken en pijlsnelle ritten wil Gert- Jan toch nog even serieus afsluiten: “Het klinkt wel alsof wij hartstikke gek zijn op de motor, maar dat valt wel mee. Hard rijden is niet zo moeilijk, maar doe het wel op de juiste plaats. Rij niet als een halve zool.” We geloven hem op zijn blauwe ogen, maar hopen tegelijk dat die ‘halve zool’ die een paar uur eerder nog zijn achterband oprookte nog lang jeugdig en vol bravoure mag zijn.
Pagina gaat door onder advertenties
Pagina gaat door onder advertenties







































